aanrijden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ rijden

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanrijden ‎(past singular reed aan, past participle aangereden)

  1. to collide (vehicles etc)
  2. (intransitive, with bij) to drop by, to give a brief visit

Conjugation[edit]

Inflection of aanrijden (strong class 1, separable)
infinitive aanrijden
past singular reed aan
past participle aangereden
infinitive aanrijden
gerund aanrijden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular rijd aan reed aan aanrijd aanreed
2nd person sing. (jij) rijdt aan reed aan aanrijdt aanreed
2nd person sing. (u) rijdt aan reed aan aanrijdt aanreed
2nd person sing. (gij) rijdt aan reedt aan aanrijdt aanreedt
3rd person singular rijdt aan reed aan aanrijdt aanreed
plural rijden aan reden aan aanrijden aanreden
subjunctive sing.1 rijde aan rede aan aanrijde aanrede
subjunctive plur.1 rijden aan reden aan aanrijden aanreden
imperative sing. rijd aan
imperative plur.1 rijdt aan
participles aanrijdend aangereden
1) Archaic.

Derived terms[edit]