Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search



From aan +‎ rijden.




  1. (transitive) to collide with a vehicle
    Mijn moeder is gister aangereden door de bus.
    My mother was hit by the bus yesterday.
  2. (intransitive) to arrive driving
    Mijn moeder kwam op de fiets aangereden.
    My mother arrived by bike.
  3. (intransitive, dialectal, colloquial) to depart driving
    Mijn moeder is net naar huis aangereden.
    My mother just left for home.

Usage notes[edit]

Although in common use in the southern Netherlands, aanrijden in the sense of to depart is not generally understood outside of Brabant and Limburg.


Inflection of aanrijden (strong class 1, separable)
infinitive aanrijden
past singular reed aan
past participle aangereden
infinitive aanrijden
gerund aanrijden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular rijd aan reed aan aanrijd aanreed
2nd person sing. (jij) rijdt aan reed aan aanrijdt aanreed
2nd person sing. (u) rijdt aan reed aan aanrijdt aanreed
2nd person sing. (gij) rijdt aan reedt aan aanrijdt aanreedt
3rd person singular rijdt aan reed aan aanrijdt aanreed
plural rijden aan reden aan aanrijden aanreden
subjunctive sing.1 rijde aan rede aan aanrijde aanrede
subjunctive plur.1 rijden aan reden aan aanrijden aanreden
imperative sing. rijd aan
imperative plur.1 rijdt aan
participles aanrijdend aangereden
1) Archaic.

Derived terms[edit]