aanroepen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanroepen ‎(past singular riep aan, past participle aangeroepen)

  1. to invoke (call upon someone for help etc.)
  2. (computing) to call, to invoke (a subroutine, etc.)

Conjugation[edit]

Inflection of aanroepen (strong class 7, separable)
infinitive aanroepen
past singular riep aan
past participle aangeroepen
infinitive aanroepen
gerund aanroepen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular roep aan riep aan aanroep aanriep
2nd person sing. (jij) roept aan riep aan aanroept aanriep
2nd person sing. (u) roept aan riep aan aanroept aanriep
2nd person sing. (gij) roept aan riept aan aanroept aanriept
3rd person singular roept aan riep aan aanroept aanriep
plural roepen aan riepen aan aanroepen aanriepen
subjunctive sing.1 roepe aan riepe aan aanroepe aanriepe
subjunctive plur.1 roepen aan riepen aan aanroepen aanriepen
imperative sing. roep aan
imperative plur.1 roept aan
participles aanroepend aangeroepen
1) Archaic.

Anagrams[edit]