aantonen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ tonen.

Verb[edit]

aantonen

  1. (transitive) to show
  2. (transitive) to prove, demonstrate

Inflection[edit]

Inflection of aantonen (weak, separable)
infinitive aantonen
past singular toonde aan
past participle aangetoond
infinitive aantonen
gerund aantonen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular toon aan toonde aan aantoon aantoonde
2nd person sing. (jij) toont aan toonde aan aantoont aantoonde
2nd person sing. (u) toont aan toonde aan aantoont aantoonde
2nd person sing. (gij) toont aan toonde aan aantoont aantoonde
3rd person singular toont aan toonde aan aantoont aantoonde
plural tonen aan toonden aan aantonen aantoonden
subjunctive sing.1 tone aan toonde aan aantone aantoonde
subjunctive plur.1 tonen aan toonden aan aantonen aantoonden
imperative sing. toon aan
imperative plur.1 toont aan
participles aantonend aangetoond
1) Archaic.

Anagrams[edit]