aanvoeren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

From aan +‎ voeren.

Verb[edit]

aanvoeren

  1. to supply
  2. to command
Inflection[edit]
Inflection of aanvoeren (weak, separable)
infinitive aanvoeren
past singular voerde aan
past participle aangevoerd
infinitive aanvoeren
gerund aanvoeren n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular voer aan voerde aan aanvoer aanvoerde
2nd person sing. (jij) voert aan voerde aan aanvoert aanvoerde
2nd person sing. (u) voert aan voerde aan aanvoert aanvoerde
2nd person sing. (gij) voert aan voerde aan aanvoert aanvoerde
3rd person singular voert aan voerde aan aanvoert aanvoerde
plural voeren aan voerden aan aanvoeren aanvoerden
subjunctive sing.1 voere aan voerde aan aanvoere aanvoerde
subjunctive plur.1 voeren aan voerden aan aanvoeren aanvoerden
imperative sing. voer aan
imperative plur.1 voert aan
participles aanvoerend aangevoerd
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Etymology 2[edit]

Non-lemma forms.

Noun[edit]

aanvoeren

  1. Plural form of aanvoer

Anagrams[edit]