afkoelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From af +‎ koelen.

Verb[edit]

afkoelen

  1. (ergative) to cool off, cool down

Inflection[edit]

Inflection of afkoelen (weak, separable)
infinitive afkoelen
past singular koelde af
past participle afgekoeld
infinitive afkoelen
gerund afkoelen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular koel af koelde af afkoel afkoelde
2nd person sing. (jij) koelt af koelde af afkoelt afkoelde
2nd person sing. (u) koelt af koelde af afkoelt afkoelde
2nd person sing. (gij) koelt af koelde af afkoelt afkoelde
3rd person singular koelt af koelde af afkoelt afkoelde
plural koelen af koelden af afkoelen afkoelden
subjunctive sing.1 koele af koelde af afkoele afkoelde
subjunctive plur.1 koelen af koelden af afkoelen afkoelden
imperative sing. koel af
imperative plur.1 koelt af
participles afkoelend afgekoeld
1) Archaic.

Antonyms[edit]

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]