afschuren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From af +‎ schuren.

Verb[edit]

afschuren

  1. (transitive) to rub down, abrade

Inflection[edit]

Inflection of afschuren (weak, separable)
infinitive afschuren
past singular schuurde af
past participle afgeschuurd
infinitive afschuren
gerund afschuren n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular schuur af schuurde af afschuur afschuurde
2nd person sing. (jij) schuurt af schuurde af afschuurt afschuurde
2nd person sing. (u) schuurt af schuurde af afschuurt afschuurde
2nd person sing. (gij) schuurt af schuurde af afschuurt afschuurde
3rd person singular schuurt af schuurde af afschuurt afschuurde
plural schuren af schuurden af afschuren afschuurden
subjunctive sing.1 schure af schuurde af afschure afschuurde
subjunctive plur.1 schuren af schuurden af afschuren afschuurden
imperative sing. schuur af
imperative plur.1 schuurt af
participles afschurend afgeschuurd
1) Archaic.

Anagrams[edit]