afzonderen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From af +‎ zonderen.

Verb[edit]

afzonderen

  1. (transitive) to isolate

Inflection[edit]

Inflection of afzonderen (weak, separable)
infinitive afzonderen
past singular zonderde af
past participle afgezonderd
infinitive afzonderen
gerund afzonderen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zonder af zonderde af afzonder afzonderde
2nd person sing. (jij) zondert af zonderde af afzondert afzonderde
2nd person sing. (u) zondert af zonderde af afzondert afzonderde
2nd person sing. (gij) zondert af zonderde af afzondert afzonderde
3rd person singular zondert af zonderde af afzondert afzonderde
plural zonderen af zonderden af afzonderen afzonderden
subjunctive sing.1 zondere af zonderde af afzondere afzonderde
subjunctive plur.1 zonderen af zonderden af afzonderen afzonderden
imperative sing. zonder af
imperative plur.1 zondert af
participles afzonderend afgezonderd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]