aliëneren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

Probably borrowed from French aliéner, from Latin aliēnāre.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˌaː.li.eːˈneː.rə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: a‧li‧e‧ne‧ren

Verb[edit]

aliëneren

  1. (transitive, obsolete, of rights and property) to transfer, to sell or donate

Inflection[edit]

Inflection of aliëneren (weak)
infinitive aliëneren
past singular aliëneerde
past participle gealiëneerd
infinitive aliëneren
gerund aliëneren n
present tense past tense
1st person singular aliëneer aliëneerde
2nd person sing. (jij) aliëneert aliëneerde
2nd person sing. (u) aliëneert aliëneerde
2nd person sing. (gij) aliëneert aliëneerde
3rd person singular aliëneert aliëneerde
plural aliëneren aliëneerden
subjunctive sing.1 aliënere aliëneerde
subjunctive plur.1 aliëneren aliëneerden
imperative sing. aliëneer
imperative plur.1 aliëneert
participles aliënerend gealiëneerd
1) Archaic.