bespelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

be- +‎ spelen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bespelen (past singular bespeelde, past participle bespeeld)

  1. to play (a musical instrument)

Conjugation[edit]

Inflection of bespelen (weak, prefixed)
infinitive bespelen
past singular bespeelde
past participle bespeeld
infinitive bespelen
gerund bespelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bespeel bespeelde
2nd person sing. (jij) bespeelt bespeelde
2nd person sing. (u) bespeelt bespeelde
2nd person sing. (gij) bespeelt bespeelde
3rd person singular bespeelt bespeelde
plural bespelen bespeelden
subjunctive sing.1 bespele bespeelde
subjunctive plur.1 bespelen bespeelden
imperative sing. bespeel
imperative plur.1 bespeelt
participles bespelend bespeeld
1) Archaic.