blasfemeren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

blasfemeren ‎(past singular blasfemeerde, past participle geblasfemeerd)

  1. to blaspheme

Conjugation[edit]

Inflection of blasfemeren (weak)
infinitive blasfemeren
past singular blasfemeerde
past participle geblasfemeerd
infinitive blasfemeren
gerund blasfemeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular blasfemeer blasfemeerde
2nd person sing. (jij) blasfemeert blasfemeerde
2nd person sing. (u) blasfemeert blasfemeerde
2nd person sing. (gij) blasfemeert blasfemeerde
3rd person singular blasfemeert blasfemeerde
plural blasfemeren blasfemeerden
subjunctive sing.1 blasfemere blasfemeerde
subjunctive plur.1 blasfemeren blasfemeerden
imperative sing. blasfemeer
imperative plur.1 blasfemeert
participles blasfemerend geblasfemeerd
1) Archaic.