bloeien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology 1[edit]

PIE root
*bʰleh₃-

From Middle Dutch bloeyen, from Old Dutch bluoien, from Proto-Germanic *blōaną.

Verb[edit]

bloeien

  1. (literally) To blossom, bear flowers
  2. (figuratively) To grow, develop
  3. (figuratively) To flourish, prosper
  4. (uncommon, figuratively) To produce a swelling or secretion
  5. (obsolete, figuratively) To blush, redden in the face
Inflection[edit]
Inflection of bloeien (weak)
infinitive bloeien
past singular bloeide
past participle gebloeid
infinitive bloeien
gerund bloeien n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular bloei bloeide
2nd person sing. (jij) bloeit bloeide
2nd person sing. (u) bloeit bloeide
2nd person sing. (gij) bloeit bloeide
3rd person singular bloeit bloeide
plural bloeien bloeiden
subjunctive sing.1 bloeie bloeide
subjunctive plur.1 bloeien bloeiden
imperative sing. bloei
imperative plur.1 bloeit
participles bloeiend gebloeid
1) Archaic.
Derived terms[edit]

Noun[edit]

bloeien

  1. Plural form of bloei
    Van z'n beide bloeien is die in de herfst het meest gegeerd, bij gebrek aan lenteconcurrentie
    Of both its blossomings the autumnal is most prized, lacking the spring competition

Etymology 3[edit]

Noun[edit]

bloeien

  1. (archaic) Plural form of bloed