cijferen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

cijferen ‎(past singular cijferde, past participle gecijferd)

  1. to figure, compute

Conjugation[edit]

Inflection of cijferen (weak)
infinitive cijferen
past singular cijferde
past participle gecijferd
infinitive cijferen
gerund cijferen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular cijfer cijferde
2nd person sing. (jij) cijfert cijferde
2nd person sing. (u) cijfert cijferde
2nd person sing. (gij) cijfert cijferde
3rd person singular cijfert cijferde
plural cijferen cijferden
subjunctive sing.1 cijfere cijferde
subjunctive plur.1 cijferen cijferden
imperative sing. cijfer
imperative plur.1 cijfert
participles cijferend gecijferd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Noun[edit]

cijferen n ‎(uncountable)

  1. arithmetic