goeden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch goeden, from goed.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

goeden ‎(past singular goedde, past participle gegoed)

  1. (obsolete) to supply with material goods, to make prosperous

Conjugation[edit]

Only the past participle survives, but has taken on another meaning.

Inflection of goeden (weak)
infinitive goeden
past singular goedde
past participle gegoed
infinitive goeden
gerund goeden n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular goed goedde
2nd person sing. (jij) goedt goedde
2nd person sing. (u) goedt goedde
2nd person sing. (gij) goedt goedde
3rd person singular goedt goedde
plural goeden goedden
subjunctive sing.1 goede goedde
subjunctive plur.1 goeden goedden
imperative sing. goed
imperative plur.1 goedt
participles goedend gegoed
1) Archaic.

Welsh[edit]

Noun[edit]

goeden

  1. Soft mutation of coeden.