kruisen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

kruisen

  1. Plural form of kruis

Verb[edit]

kruisen ‎(past singular kruiste, past participle gekruist)

  1. (transitive) To cross, intersect
  2. (transitive) To breed (to arrange the mating of specific animals or plants)

Derived terms[edit]

Conjugation[edit]

Inflection of kruisen (weak)
infinitive kruisen
past singular kruiste
past participle gekruist
infinitive kruisen
gerund kruisen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular kruis kruiste
2nd person sing. (jij) kruist kruiste
2nd person sing. (u) kruist kruiste
2nd person sing. (gij) kruist kruiste
3rd person singular kruist kruiste
plural kruisen kruisten
subjunctive sing.1 kruise kruiste
subjunctive plur.1 kruisen kruisten
imperative sing. kruis
imperative plur.1 kruist
participles kruisend gekruist
1) Archaic.