meemaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

meemaken

  1. to participate in, attend
  2. to experience

Inflection[edit]

Inflection of meemaken (weak, separable)
infinitive meemaken
past singular maakte mee
past participle meegemaakt
infinitive meemaken
gerund meemaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak mee maakte mee meemaak meemaakte
2nd person sing. (jij) maakt mee maakte mee meemaakt meemaakte
2nd person sing. (u) maakt mee maakte mee meemaakt meemaakte
2nd person sing. (gij) maakt mee maakte mee meemaakt meemaakte
3rd person singular maakt mee maakte mee meemaakt meemaakte
plural maken mee maakten mee meemaken meemaakten
subjunctive sing.1 make mee maakte mee meemake meemaakte
subjunctive plur.1 maken mee maakten mee meemaken meemaakten
imperative sing. maak mee
imperative plur.1 maakt mee
participles meemakend meegemaakt
1) Archaic.

Anagrams[edit]