neerslaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From neer +‎ slaan.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

neerslaan (past singular sloeg neer, past participle neergeslagen)

  1. to fall down
  2. to knock down
  3. (chemistry) to precipitate
  4. (chemistry) to condense
  5. to choke, suppress

Conjugation[edit]

Inflection of neerslaan (strong class 6, irregular, separable)
infinitive neerslaan
past singular sloeg neer
past participle neergeslagen
infinitive neerslaan
gerund neerslaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular sla neer sloeg neer neersla neersloeg
2nd person sing. (jij) slaat neer sloeg neer neerslaat neersloeg
2nd person sing. (u) slaat neer sloeg neer neerslaat neersloeg
2nd person sing. (gij) slaat neer sloegt neer neerslaat neersloegt
3rd person singular slaat neer sloeg neer neerslaat neersloeg
plural slaan neer sloegen neer neerslaan neersloegen
subjunctive sing.1 sla neer sloege neer neersla neersloege
subjunctive plur.1 slaan neer sloegen neer neerslaan neersloegen
imperative sing. sla neer
imperative plur.1 slaat neer
participles neerslaand neergeslagen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]