omgeven

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From om- +‎ geven.

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

omgeven (past singular omgaf, past participle omgeven)

  1. to surround
    Het Amazonebekken wordt omgeven door het Hoogland van Guyana in het noorden, de Andes in het westen en het Hoogland van Brazilië in het zuiden en oosten.[1] — The Amazon basin is surrounded by the Guyana Highlands to the north, the Andes to the west and the Brazilian Highlands to the south and east.

Conjugation[edit]

Inflection of omgeven (strong class 5, prefixed)
infinitive omgeven
past singular omgaf
past participle omgeven
infinitive omgeven
gerund omgeven n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular omgeef omgaf
2nd person sing. (jij) omgeeft omgaf
2nd person sing. (u) omgeeft omgaf
2nd person sing. (gij) omgeeft omgaaft
3rd person singular omgeeft omgaf
plural omgeven omgaven
subjunctive sing.1 omgeve omgave
subjunctive plur.1 omgeven omgaven
imperative sing. omgeef
imperative plur.1 omgeeft
participles omgevend omgeven
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Participle[edit]

omgeven

  1. past participle of omgeven

Declension[edit]

Inflection of omgeven
uninflected omgeven
inflected omgeven
comparative
positive
predicative/adverbial omgeven
indefinite m./f. sing. omgeven
n. sing. omgeven
plural omgeven
definite omgeven
partitive omgevens