omroepen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

om +‎ roepen

Verb[edit]

omroepen

  1. to broadcast, announce

Inflection[edit]

Inflection of omroepen (strong class 7, separable)
infinitive omroepen
past singular riep om
past participle omgeroepen
infinitive omroepen
gerund omroepen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular roep om riep om omroep omriep
2nd person sing. (jij) roept om riep om omroept omriep
2nd person sing. (u) roept om riep om omroept omriep
2nd person sing. (gij) roept om riept om omroept omriept
3rd person singular roept om riep om omroept omriep
plural roepen om riepen om omroepen omriepen
subjunctive sing.1 roepe om riepe om omroepe omriepe
subjunctive plur.1 roepen om riepen om omroepen omriepen
imperative sing. roep om
imperative plur.1 roept om
participles omroepend omgeroepen
1) Archaic.

Related terms[edit]

Noun[edit]

omroepen

  1. Plural form of omroep

Anagrams[edit]