From Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search



From Middle Dutch ommeroepen, equivalent to om +‎ roepen.


  • (file)



  1. to make an announcement by means of a public address system, to tannoy
    • 2022 March 20, Nynke van Verschuer, “Elke paar uur een nieuwe trein vol vluchtelingen [Every few hours a new train full of refugees]”, in NRC Handelsblad[1], retrieved 3 May 2022:
      Als een trein aankomt wordt in het Oekraïens omgeroepen waar de passagiers zich kunnen melden.
      Whenever a train arrives, an announcement is made in Ukrainian as to where the passengers can register.
  2. to broadcast
  3. (chiefly historical) to make an public announcement in a loud voice, usually by a town crier
    • 1674 June 26, “Engelandt, &c. [England, etc.]”, in Ordinaris Amſterdamſe Dingsdaegſsche Courant[2]:
      Een Franſe Kaper heeft tot Jarmouth opgebracht een Vlieboot, groot 300 tonnen, met Sout geladen, komende van Liſſabon, en gaende na Teſſel: Den 15 dito liet den Kaper aldaer 't Sout door de Stadt omroepen, om te verkopen (...).
      A French privateer has forced to Yarmouth a flyboat, size 300 tons, loaded with salt, coming from Lisbon and on course to Texel; on the 15th this month, the privateer had the salt announced [vocally] throughout the town in order to sell it (...)."
    • 1900 January 20, “Openbare vergadering van den Raad der gemeente Zwolle [Public session of the municipal council of Zwolle]”, in Provinciale Overijsselsche en Zwolsche courant[3], page 6:
      Te behandelen zaken: (...) Voorstel van den heer mr. Vos de Wael betreffende de invordering der retributies voor het aanplakken en omroepen van openbare aankondigingen.
      Items to be discussed: (...) Proposal by Mr Vos de Wael concerning the collection of fees for the placarding and town-crying of public announcements.


Conjugation of omroepen (strong class 7, separable)
infinitive omroepen
past singular riep om
past participle omgeroepen
infinitive omroepen
gerund omroepen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular roep om riep om omroep omriep
2nd person sing. (jij) roept om riep om omroept omriep
2nd person sing. (u) roept om riep om omroept omriep
2nd person sing. (gij) roept om riept om omroept omriept
3rd person singular roept om riep om omroept omriep
plural roepen om riepen om omroepen omriepen
subjunctive sing.1 roepe om riepe om omroepe omriepe
subjunctive plur.1 roepen om riepen om omroepen omriepen
imperative sing. roep om
imperative plur.1 roept om
participles omroepend omgeroepen
1) Archaic.

Related terms[edit]



  1. plural of omroep