ontslaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

ont- +‎ slaan

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

ontslaan (past singular ontsloeg, past participle ontslagen)

  1. to discharge, to let go, to free of one's duties
  2. to fire, to sack (terminate the employment of)

Conjugation[edit]

Inflection of ontslaan (strong class 6, irregular, prefixed)
infinitive ontslaan
past singular ontsloeg
past participle ontslagen
infinitive ontslaan
gerund ontslaan n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular ontsla ontsloeg
2nd person sing. (jij) ontslaat ontsloeg
2nd person sing. (u) ontslaat ontsloeg
2nd person sing. (gij) ontslaat ontsloegt
3rd person singular ontslaat ontsloeg
plural ontslaan ontsloegen
subjunctive sing.1 ontsla ontsloege
subjunctive plur.1 ontslaan ontsloegen
imperative sing. ontsla
imperative plur.1 ontslaat
participles ontslaand ontslagen
1) Archaic.

Derived terms[edit]