opeten

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From op(up) + eten(eat).

Verb[edit]

opeten

  1. to eat up, devour

Inflection[edit]

Inflection of opeten (strong class 5, separable)
infinitive opeten
past singular at op
past participle opgegeten
infinitive opeten
gerund opeten n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular eet op at op opeet opat
2nd person sing. (jij) eet op at op opeet opat
2nd person sing. (u) eet op at op opeet opat
2nd person sing. (gij) eet op at op opeet opat
3rd person singular eet op at op opeet opat
plural eten op aten op opeten opaten
subjunctive sing.1 ete op ate op opete opate
subjunctive plur.1 eten op aten op opeten opaten
imperative sing. eet op
imperative plur.1 eet op
participles opetend opgegeten
1) Archaic.

Descendants[edit]

Sranan Tongo

Anagrams[edit]