regeren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch regeren, from Latin regere.

Verb[edit]

regeren

  1. (transitive, intransitive) to rule, reign, govern
  2. (transitive, archaic) to control, to conduct, to direct, to govern
    • 1628, Philips Marnix van Sint Aldegonde, "Wilhelmus van Nassouwe", (modern, redacted version), couplet 2.
      Maar God zal mij regeren / als een goed instrument, / dat ik zal wederkeren / in mijnen regiment.
      But God shall conduct me / like a good instrument, / that I shall be reinstated / into my regiment.

Inflection[edit]

Inflection of regeren (weak)
infinitive regeren
past singular regeerde
past participle geregeerd
infinitive regeren
gerund regeren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular regeer regeerde
2nd person sing. (jij) regeert regeerde
2nd person sing. (u) regeert regeerde
2nd person sing. (gij) regeert regeerde
3rd person singular regeert regeerde
plural regeren regeerden
subjunctive sing.1 regere regeerde
subjunctive plur.1 regeren regeerden
imperative sing. regeer
imperative plur.1 regeert
participles regerend geregeerd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]


German[edit]

Adjective[edit]

regeren

  1. inflected form of rege