schuilgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From schuil +‎ gaan.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈsxœy̯l.ɣaːn/
  • (file)
  • Hyphenation: schuil‧gaan

Verb[edit]

schuilgaan

  1. (intransitive) to hide
    • 1947, Anne Frank, Het Achterhuis, 9 July 1942
      Geen mens zou vermoeden, dat achter de simpele, grijsgeschilderde deur zoveel kamers schuilgaan.
      No one would suspect that so many rooms would hide behind the simple grey-painted door.

Inflection[edit]

Inflection of schuilgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive schuilgaan
past singular ging schuil
past participle schuilgegaan
infinitive schuilgaan
gerund schuilgaan n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga schuil ging schuil schuilga schuilging
2nd person sing. (jij) gaat schuil ging schuil schuilgaat schuilging
2nd person sing. (u) gaat schuil ging schuil schuilgaat schuilging
2nd person sing. (gij) gaat schuil gingt schuil schuilgaat schuilgingt
3rd person singular gaat schuil ging schuil schuilgaat schuilging
plural gaan schuil gingen schuil schuilgaan schuilgingen
subjunctive sing.1 ga schuil ginge schuil schuilga schuilginge
subjunctive plur.1 gaan schuil gingen schuil schuilgaan schuilgingen
imperative sing. ga schuil
imperative plur.1 gaat schuil
participles schuilgaand schuilgegaan
1) Archaic.