terugkomen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

terugkomen ‎(past singular kwam terug, past participle teruggekomen)

  1. to come back, to return
  2. (used with "in") to be echoed in
    Zijn liefde voor de natuur komt terug in zijn schilderijen.
    His love for nature is echoed in his paintings.

Conjugation[edit]

Inflection of terugkomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive terugkomen
past singular kwam terug
past participle teruggekomen
infinitive terugkomen
gerund terugkomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom terug kwam terug terugkom terugkwam
2nd person sing. (jij) komt terug kwam terug terugkomt terugkwam
2nd person sing. (u) komt terug kwam terug terugkomt terugkwam
2nd person sing. (gij) komt terug kwaamt terug terugkomt terugkwaamt
3rd person singular komt terug kwam terug terugkomt terugkwam
plural komen terug kwamen terug terugkomen terugkwamen
subjunctive sing.1 kome terug kwame terug terugkome terugkwame
subjunctive plur.1 komen terug kwamen terug terugkomen terugkwamen
imperative sing. kom terug
imperative plur.1 komt terug
participles terugkomend teruggekomen
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Anagrams[edit]