terugzien

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From terug ‎(back, again) +‎ zien ‎(to see).

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

terugzien ‎(past singular zag terug, past participle teruggezien)

  1. to see (someone) again/back
    Na tien jaar zie ik je eindelijk terug!After ten years I finally see you again!

Conjugation[edit]

Inflection of terugzien (strong class 5, irregular, separable)
infinitive terugzien
past singular zag terug
past participle teruggezien
infinitive terugzien
gerund terugzien n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular zie terug zag terug terugzie terugzag
2nd person sing. (jij) ziet terug zag terug terugziet terugzag
2nd person sing. (u) ziet terug zag terug terugziet terugzag
2nd person sing. (gij) ziet terug zaagt terug terugziet terugzaagt
3rd person singular ziet terug zag terug terugziet terugzag
plural zien terug zagen terug terugzien terugzagen
subjunctive sing.1 zie terug zage terug terugzie terugzage
subjunctive plur.1 zien terug zagen terug terugzien terugzagen
imperative sing. zie terug
imperative plur.1 ziet terug
participles terugziend teruggezien
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]