thuiskomen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From thuis +‎ komen.

Verb[edit]

thuiskomen

  1. To come home.

Inflection[edit]

Inflection of thuiskomen (strong class 4, irregular, separable)
infinitive thuiskomen
past singular kwam thuis
past participle thuisgekomen
infinitive thuiskomen
gerund thuiskomen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kom thuis kwam thuis thuiskom thuiskwam
2nd person sing. (jij) komt thuis kwam thuis thuiskomt thuiskwam
2nd person sing. (u) komt thuis kwam thuis thuiskomt thuiskwam
2nd person sing. (gij) komt thuis kwaamt thuis thuiskomt thuiskwaamt
3rd person singular komt thuis kwam thuis thuiskomt thuiskwam
plural komen thuis kwamen thuis thuiskomen thuiskwamen
subjunctive sing.1 kome thuis kwame thuis thuiskome thuiskwame
subjunctive plur.1 komen thuis kwamen thuis thuiskomen thuiskwamen
imperative sing. kom thuis
imperative plur.1 komt thuis
participles thuiskomend thuisgekomen
1) Archaic.

Anagrams[edit]