toekijken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

toekijken

  1. to look on, to watch expecting something to occur

Inflection[edit]

Inflection of toekijken (strong class 1, separable)
infinitive toekijken
past singular keek toe
past participle toegekeken
infinitive toekijken
gerund toekijken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kijk toe keek toe toekijk toekeek
2nd person sing. (jij) kijkt toe keek toe toekijkt toekeek
2nd person sing. (u) kijkt toe keek toe toekijkt toekeek
2nd person sing. (gij) kijkt toe keekt toe toekijkt toekeekt
3rd person singular kijkt toe keek toe toekijkt toekeek
plural kijken toe keken toe toekijken toekeken
subjunctive sing.1 kijke toe keke toe toekijke toekeke
subjunctive plur.1 kijken toe keken toe toekijken toekeken
imperative sing. kijk toe
imperative plur.1 kijkt toe
participles toekijkend toegekeken
1) Archaic.

Anagrams[edit]