trut

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

trut f (plural trutten, diminutive trutje n)

  1. (vulgar, pejorative) bitch (pejorative term for a woman)
  2. (pejorative) boring, narrow-minded or slow person
  3. (vulgar, chiefly Southern or literary) pussy, cunt (vulva or vagina)
    • 2011, Antoon Vrints, Het theater van de straat. Publiek geweld in Antwerpen tijdens de eerste helft van de twintigste eeuw, Amsterdam University Press, ISBN 9089643400, page 245.
      Dokwerker Jan C. voelde zich geprovoceerd door de opmerking van herbergierster Joanna M. dat ze tevreden was hem samen met zijn vriendin werkvrouw Anna W. te zien. Jan C. die blijkbaar al zijn vermoedens had over de lesbische contacten van zijn vriendin, antwoordde: ‘Zijt gij mijn wijf haar truttenlakker, gij geeft export voor al hetgeen er binnen is en honderd frank er boven over, of gij moogt mijn wijf haar trut niet meer uitlakken.’
      (please add an English translation of this quote)

Derived terms[edit]


Serbo-Croatian[edit]

Etymology[edit]

From Proto-Slavic *trǫtъ

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

trȗt m (Cyrillic spelling тру̑т)

  1. drone (male bee)

Declension[edit]


Swedish[edit]

Etymology[edit]

From Old Swedish thrutin, from Old Norse þrútna. Cognate with English throat (from Old English þrote).

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

trut c

  1. Any of several species of large gulls.
  2. (slang) mouth

Declension[edit]

Declension of trut 
Singular Plural
Indefinite Definite Indefinite Definite
Nominative trut truten trutar trutarna
Genitive truts trutens trutars trutarnas