prut

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Czech[edit]

Etymology[edit]

From Proto-Slavic *prǫtъ.

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

prut m

  1. rod

Declension[edit]


Danish[edit]

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /prut/, [pʰʁ̥ud̥]

Etymology 1[edit]

An onomatopoeia. Compare French prout.

Noun[edit]

prut c ( singular definite prutten, plural indefinite prutter)

  1. fart (an emission of flatulent gases)
Inflection[edit]
Synonyms[edit]

Etymology 2[edit]

See prutte (to fart).

Verb[edit]

prut

  1. imperative of prutte

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

Onomatopoeic, presumably a metonym from the sound made by a substance or something falling into it. First attested in early modern Dutch. The same in regional German Prütt.

Interjection[edit]

prut

  1. Sound of a thick, almost-solid substance.
  2. cheers
    • 2016 April 30, Wouter van Noort, "‘Ik heb twee banen, het enige wat ik doe is werken’", NRC Handelsblad.
      Ondanks zijn 27 jaar in de Verenigde Staten, hoor je nog steeds een licht Rotterdams accent bij Maarten Sierhuis. Als hij met een biertje op het zonnige terras naast zijn kantoor middenin San Francisco proost, zegt hij „Prut!”

Noun[edit]

prut f (uncountable)

  1. Any substance with a thick, gooey or almost-solid consistency, such as:
    1. gunk, mud
      • 2015 December 11, J. Visscher, "Gemakzucht kan marinier duur komen te staan", Reformatorisch Dagblad.
        Het is afzien in de Veluwse prut. Kilometers lang. Een uitgeputte marinier stoot dierlijke klanken uit. Langs een modderpad drukt een marinier zich vloekend een keer of tien op. Een instructeur kijkt toe.
    2. slush (of snow)
    3. mash, stew, porridge
    4. grounds (in coffee) or any other thick residue
      • 2015 September 3, Mickey Steijaert, "Koffieprut blijkt prima filter voor broeikasgas", de Volkskrant.
        Gebruikt koffiedik heeft van nature een uitzonderlijk hoog absorptievermogen. Voor hun methaanvangnet hoefden de onderzoekers de prut slechts te mixen met een sodaoplossing en sterk te verhitten.

Norwegian Bokmål[edit]

Verb[edit]

prut

  1. imperative of prute

Serbo-Croatian[edit]

Etymology[edit]

From Proto-Slavic *prǫtъ.

Pronunciation[edit]

Noun[edit]

prȗt m (Cyrillic spelling пру̑т)

  1. rod, stick, staff

Declension[edit]


Tok Pisin[edit]

Etymology[edit]

From English fruit.

Noun[edit]

prut

  1. fruit

Synonyms[edit]


Upper Sorbian[edit]

Etymology[edit]

From Proto-Slavic *prǫtъ.

Noun[edit]

prut m

  1. rod