uitdoen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ doen

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈœy̯dun/
  • (file)

Verb[edit]

uitdoen

  1. to take off (clothes)
  2. to turn off (a switch)

Inflection[edit]

Inflection of uitdoen (irregular, separable)
infinitive uitdoen
past singular deed uit
past participle uitgedaan
infinitive uitdoen
gerund uitdoen n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular doe uit deed uit uitdoe uitdeed
2nd person sing. (jij) doet uit deed uit uitdoet uitdeed
2nd person sing. (u) doet uit deed uit uitdoet uitdeed
2nd person sing. (gij) doet uit deedt uit uitdoet uitdeedt
3rd person singular doet uit deed uit uitdoet uitdeed
plural doen uit deden uit uitdoen uitdeden
subjunctive sing.1 doe uit dede uit uitdoe uitdede
subjunctive plur.1 doen uit deden uit uitdoen uitdeden
imperative sing. doe uit
imperative plur.1 doet uit
participles uitdoend uitgedaan
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Antonyms[edit]

Descendants[edit]

  • Negerhollands: doe ut

Anagrams[edit]