uitdrijven

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch uutdriven, uytdriven. Equivalent to uit +‎ drijven. This etymology is incomplete. You can help Wiktionary by elaborating on the origins of this term.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈœy̯tˌdrɛi̯.və(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: uit‧drij‧ven

Verb[edit]

uitdrijven

  1. (transitive) to expel, to drive out
  2. (intransitive, transitive) to secrete, to discharge
  3. (intransitive, transitive, medicine) to remove from or leave the womb or birth canal

Inflection[edit]

Inflection of uitdrijven (strong class 1, separable)
infinitive uitdrijven
past singular dreef uit
past participle uitgedreven
infinitive uitdrijven
gerund uitdrijven n
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular drijf uit dreef uit uitdrijf uitdreef
2nd person sing. (jij) drijft uit dreef uit uitdrijft uitdreef
2nd person sing. (u) drijft uit dreef uit uitdrijft uitdreef
2nd person sing. (gij) drijft uit dreeft uit uitdrijft uitdreeft
3rd person singular drijft uit dreef uit uitdrijft uitdreef
plural drijven uit dreven uit uitdrijven uitdreven
subjunctive sing.1 drijve uit dreve uit uitdrijve uitdreve
subjunctive plur.1 drijven uit dreven uit uitdrijven uitdreven
imperative sing. drijf uit
imperative plur.1 drijft uit
participles uitdrijvend uitgedreven
1) Archaic.

Derived terms[edit]