uitkijken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ kijken

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

uitkijken ‎(past singular keek uit, past participle uitgekeken)

  1. (transitive) to watch (something) until the end
  2. (intransitive) to look out, to watch out, to be vigilant
  3. (transitive, with "naar") to look forward to

Conjugation[edit]

Inflection of uitkijken (strong class 1, separable)
infinitive uitkijken
past singular keek uit
past participle uitgekeken
infinitive uitkijken
gerund uitkijken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular kijk uit keek uit uitkijk uitkeek
2nd person sing. (jij) kijkt uit keek uit uitkijkt uitkeek
2nd person sing. (u) kijkt uit keek uit uitkijkt uitkeek
2nd person sing. (gij) kijkt uit keekt uit uitkijkt uitkeekt
3rd person singular kijkt uit keek uit uitkijkt uitkeek
plural kijken uit keken uit uitkijken uitkeken
subjunctive sing.1 kijke uit keke uit uitkijke uitkeke
subjunctive plur.1 kijken uit keken uit uitkijken uitkeken
imperative sing. kijk uit
imperative plur.1 kijkt uit
participles uitkijkend uitgekeken
1) Archaic.

Anagrams[edit]