uitnemen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ nemen

Verb[edit]

uitnemen

  1. to remove, to take out

Inflection[edit]

Inflection of uitnemen (strong class 4, separable)
infinitive uitnemen
past singular nam uit
past participle uitgenomen
infinitive uitnemen
gerund uitnemen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular neem uit nam uit uitneem uitnam
2nd person sing. (jij) neemt uit nam uit uitneemt uitnam
2nd person sing. (u) neemt uit nam uit uitneemt uitnam
2nd person sing. (gij) neemt uit naamt uit uitneemt uitnaamt
3rd person singular neemt uit nam uit uitneemt uitnam
plural nemen uit namen uit uitnemen uitnamen
subjunctive sing.1 neme uit name uit uitneme uitname
subjunctive plur.1 nemen uit namen uit uitnemen uitnamen
imperative sing. neem uit
imperative plur.1 neemt uit
participles uitnemend uitgenomen
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]