uitsteken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

uit +‎ steken

Verb[edit]

uitsteken

  1. to stick out, stand out, protrude

Inflection[edit]

Inflection of uitsteken (strong class 4, separable)
infinitive uitsteken
past singular stak uit
past participle uitgestoken
infinitive uitsteken
gerund uitsteken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular steek uit stak uit uitsteek uitstak
2nd person sing. (jij) steekt uit stak uit uitsteekt uitstak
2nd person sing. (u) steekt uit stak uit uitsteekt uitstak
2nd person sing. (gij) steekt uit staakt uit uitsteekt uitstaakt
3rd person singular steekt uit stak uit uitsteekt uitstak
plural steken uit staken uit uitsteken uitstaken
subjunctive sing.1 steke uit stake uit uitsteke uitstake
subjunctive plur.1 steken uit staken uit uitsteken uitstaken
imperative sing. steek uit
imperative plur.1 steekt uit
participles uitstekend uitgestoken
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]