verdubbelen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

verdubbelen (past singular verdubbelde, past participle verdubbeld)

  1. (transitive) to double
  2. (intransitive) to become doubled

Conjugation[edit]

Inflection of verdubbelen (weak, prefixed)
infinitive verdubbelen
past singular verdubbelde
past participle verdubbeld
infinitive verdubbelen
gerund verdubbelen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular verdubbel verdubbelde
2nd person sing. (jij) verdubbelt verdubbelde
2nd person sing. (u) verdubbelt verdubbelde
2nd person sing. (gij) verdubbelt verdubbelde
3rd person singular verdubbelt verdubbelde
plural verdubbelen verdubbelden
subjunctive sing.1 verdubbele verdubbelde
subjunctive plur.1 verdubbelen verdubbelden
imperative sing. verdubbel
imperative plur.1 verdubbelt
participles verdubbelend verdubbeld
1) Archaic.