vermeerderen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

vermeerderen

  1. (intransitive) to increase in number, to multiply
  2. (transitive) to increase in number, to multiply

Inflection[edit]

Inflection of vermeerderen (weak, prefixed)
infinitive vermeerderen
past singular vermeerderde
past participle vermeerderd
infinitive vermeerderen
gerund vermeerderen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular vermeerder vermeerderde
2nd person sing. (jij) vermeerdert vermeerderde
2nd person sing. (u) vermeerdert vermeerderde
2nd person sing. (gij) vermeerdert vermeerderde
3rd person singular vermeerdert vermeerderde
plural vermeerderen vermeerderden
subjunctive sing.1 vermeerdere vermeerderde
subjunctive plur.1 vermeerderen vermeerderden
imperative sing. vermeerder
imperative plur.1 vermeerdert
participles vermeerderend vermeerderd
1) Archaic.