voederen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

  • (file)

Verb[edit]

voederen

  1. Alternative form of voeren

Inflection[edit]

Inflection of voederen (weak)
infinitive voederen
past singular voederde
past participle gevoederd
infinitive voederen
gerund voederen n
present tense past tense
1st person singular voeder voederde
2nd person sing. (jij) voedert voederde
2nd person sing. (u) voedert voederde
2nd person sing. (gij) voedert voederde
3rd person singular voedert voederde
plural voederen voederden
subjunctive sing.1 voedere voederde
subjunctive plur.1 voederen voederden
imperative sing. voeder
imperative plur.1 voedert
participles voederend gevoederd
1) Archaic.

Anagrams[edit]


Middle Dutch[edit]

Etymology 1[edit]

From voeder (food) +‎ -en.

Verb[edit]

voederen

  1. to feed
Inflection[edit]

This verb needs an inflection-table template.

Descendants[edit]

Etymology 2[edit]

From voeder (lining) +‎ -en.

Verb[edit]

voederen

  1. to line, to cover the inner surface of
Inflection[edit]

This verb needs an inflection-table template.

Descendants[edit]

Further reading[edit]