volmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology 1[edit]

From vol +‎ maken.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /ˈvɔlˌmaːkə(n)/

Verb[edit]

volmaken

  1. to fill, to make full
Inflection[edit]
Inflection of volmaken (weak, separable)
infinitive volmaken
past singular maakte vol
past participle volgemaakt
infinitive volmaken
gerund volmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak vol maakte vol volmaak volmaakte
2nd person sing. (jij) maakt vol maakte vol volmaakt volmaakte
2nd person sing. (u) maakt vol maakte vol volmaakt volmaakte
2nd person sing. (gij) maakt vol maakte vol volmaakt volmaakte
3rd person singular maakt vol maakte vol volmaakt volmaakte
plural maken vol maakten vol volmaken volmaakten
subjunctive sing.1 make vol maakte vol volmake volmaakte
subjunctive plur.1 maken vol maakten vol volmaken volmaakten
imperative sing. maak vol
imperative plur.1 maakt vol
participles volmakend volgemaakt
1) Archaic.

Etymology 2[edit]

From vol- +‎ maken.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /vɔlˈmaːkə(n)/

Verb[edit]

volmaken

  1. to complete
  2. to perfect
Inflection[edit]
Inflection of volmaken (weak, prefixed)
infinitive volmaken
past singular volmaakte
past participle volmaakt
infinitive volmaken
gerund volmaken n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular volmaak volmaakte
2nd person sing. (jij) volmaakt volmaakte
2nd person sing. (u) volmaakt volmaakte
2nd person sing. (gij) volmaakt volmaakte
3rd person singular volmaakt volmaakte
plural volmaken volmaakten
subjunctive sing.1 volmake volmaakte
subjunctive plur.1 volmaken volmaakten
imperative sing. volmaak
imperative plur.1 volmaakt
participles volmakend volmaakt
1) Archaic.
Derived terms[edit]