voorbijgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From voorbij +‎ gaan.

Verb[edit]

voorbijgaan

  1. to pass, to go by (in space or time)

Inflection[edit]

Inflection of voorbijgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive voorbijgaan
past singular ging voorbij
past participle voorbijgegaan
infinitive voorbijgaan
gerund voorbijgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga voorbij ging voorbij voorbijga voorbijging
2nd person sing. (jij) gaat voorbij ging voorbij voorbijgaat voorbijging
2nd person sing. (u) gaat voorbij ging voorbij voorbijgaat voorbijging
2nd person sing. (gij) gaat voorbij gingt voorbij voorbijgaat voorbijgingt
3rd person singular gaat voorbij ging voorbij voorbijgaat voorbijging
plural gaan voorbij gingen voorbij voorbijgaan voorbijgingen
subjunctive sing.1 ga voorbij ginge voorbij voorbijga voorbijginge
subjunctive plur.1 gaan voorbij gingen voorbij voorbijgaan voorbijgingen
imperative sing. ga voorbij
imperative plur.1 gaat voorbij
participles voorbijgaand voorbijgegaan
1) Archaic.

Anagrams[edit]