zwartmaken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

Germanic: zwart ‎(black) + maken ‎(to make)

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

zwartmaken ‎(past singular maakte zwart, past participle zwartgemaakt)

  1. (literally) To blacken, make black(er)
  2. (figuratively) To blacken, defame, present (too) badly

Conjugation[edit]

Inflection of zwartmaken (weak, separable)
infinitive zwartmaken
past singular maakte zwart
past participle zwartgemaakt
infinitive zwartmaken
gerund zwartmaken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular maak zwart maakte zwart zwartmaak zwartmaakte
2nd person sing. (jij) maakt zwart maakte zwart zwartmaakt zwartmaakte
2nd person sing. (u) maakt zwart maakte zwart zwartmaakt zwartmaakte
2nd person sing. (gij) maakt zwart maakte zwart zwartmaakt zwartmaakte
3rd person singular maakt zwart maakte zwart zwartmaakt zwartmaakte
plural maken zwart maakten zwart zwartmaken zwartmaakten
subjunctive sing.1 make zwart maakte zwart zwartmake zwartmaakte
subjunctive plur.1 maken zwart maakten zwart zwartmaken zwartmaakten
imperative sing. maak zwart
imperative plur.1 maakt zwart
participles zwartmakend zwartgemaakt
1) Archaic.

Anagrams[edit]