aanbreken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

aan + breken

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

aanbreken ‎(past singular brak aan, past participle aangebroken)

  1. to onset, i.e.
    1. to break into
    2. to begin
    De Friese Admiraliteit werd opgericht op 6 maart 1596 en ontbonden in 1795, toen de Franse tijd in Nederland aanbrak.[1] — The Frisian Admiralty was established on 6 March 1596 and dissolved in 1795, at the onset of the French occupation of the Netherlands.

Conjugation[edit]

Inflection of aanbreken (strong class 4, separable)
infinitive aanbreken
past singular brak aan
past participle aangebroken
infinitive aanbreken
gerund aanbreken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breek aan brak aan aanbreek aanbrak
2nd person sing. (jij) breekt aan brak aan aanbreekt aanbrak
2nd person sing. (u) breekt aan brak aan aanbreekt aanbrak
2nd person sing. (gij) breekt aan braakt aan aanbreekt aanbraakt
3rd person singular breekt aan brak aan aanbreekt aanbrak
plural breken aan braken aan aanbreken aanbraken
subjunctive sing.1 breke aan brake aan aanbreke aanbrake
subjunctive plur.1 breken aan braken aan aanbreken aanbraken
imperative sing. breek aan
imperative plur.1 breekt aan
participles aanbrekend aangebroken
1) Archaic.

Anagrams[edit]