aanbrengen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

aan- +‎ brengen

Pronunciation[edit]

  • (file)
  • IPA(key): /ˈaːmˌbrɛŋə(n)/
  • Hyphenation: aan‧bren‧gen

Verb[edit]

aanbrengen ‎(past singular bracht aan, past participle aangebracht)

  1. to mount, attach
  2. to apply (e.g. paint onto a surface)
  3. to fix, adjust
  4. to denounce

Conjugation[edit]

Inflection of aanbrengen (weak with past in -cht, separable)
infinitive aanbrengen
past singular bracht aan
past participle aangebracht
infinitive aanbrengen
gerund aanbrengen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular breng aan bracht aan aanbreng aanbracht
2nd person sing. (jij) brengt aan bracht aan aanbrengt aanbracht
2nd person sing. (u) brengt aan bracht aan aanbrengt aanbracht
2nd person sing. (gij) brengt aan bracht aan aanbrengt aanbracht
3rd person singular brengt aan bracht aan aanbrengt aanbracht
plural brengen aan brachten aan aanbrengen aanbrachten
subjunctive sing.1 brenge aan brachte aan aanbrenge aanbrachte
subjunctive plur.1 brengen aan brachten aan aanbrengen aanbrachten
imperative sing. breng aan
imperative plur.1 brengt aan
participles aanbrengend aangebracht
1) Archaic.

Derived terms[edit]

Anagrams[edit]