aandringen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From aan +‎ dringen.

Verb[edit]

aandringen

  1. (intransitive) to insist

Inflection[edit]

Inflection of aandringen (strong class 3, separable)
infinitive aandringen
past singular drong aan
past participle aangedrongen
infinitive aandringen
gerund aandringen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular dring aan drong aan aandring aandrong
2nd person sing. (jij) dringt aan drong aan aandringt aandrong
2nd person sing. (u) dringt aan drong aan aandringt aandrong
2nd person sing. (gij) dringt aan drongt aan aandringt aandrongt
3rd person singular dringt aan drong aan aandringt aandrong
plural dringen aan drongen aan aandringen aandrongen
subjunctive sing.1 dringe aan dronge aan aandringe aandronge
subjunctive plur.1 dringen aan drongen aan aandringen aandrongen
imperative sing. dring aan
imperative plur.1 dringt aan
participles aandringend aangedrongen
1) Archaic.

Anagrams[edit]