achteruitgaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Pronunciation[edit]

Etymology[edit]

From achteruit +‎ gaan.

Verb[edit]

achteruitgaan

  1. (intransitive) to decline, recede

Inflection[edit]

Inflection of achteruitgaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive achteruitgaan
past singular ging achteruit
past participle achteruitgegaan
infinitive achteruitgaan
gerund achteruitgaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga achteruit ging achteruit achteruitga achteruitging
2nd person sing. (jij) gaat achteruit ging achteruit achteruitgaat achteruitging
2nd person sing. (u) gaat achteruit ging achteruit achteruitgaat achteruitging
2nd person sing. (gij) gaat achteruit gingt achteruit achteruitgaat achteruitgingt
3rd person singular gaat achteruit ging achteruit achteruitgaat achteruitging
plural gaan achteruit gingen achteruit achteruitgaan achteruitgingen
subjunctive sing.1 ga achteruit ginge achteruit achteruitga achteruitginge
subjunctive plur.1 gaan achteruit gingen achteruit achteruitgaan achteruitgingen
imperative sing. ga achteruit
imperative plur.1 gaat achteruit
participles achteruitgaand achteruitgegaan
1) Archaic.

Related terms[edit]

Anagrams[edit]