afblazen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

af +‎ blazen

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

afblazen ‎(past singular blies af, past participle afgeblazen)

  1. to blow off
    Ze wilde niet dat haar hoofd er afgeblazen zou worden.
    She didn't want her head to get blown off.
  2. to call off, cancel
    Tegen 23.00 uur werd de zoektocht afgeblazen.
    The search wasn't called off till 2300 hours.

Conjugation[edit]

Inflection of afblazen (strong class 7, separable)
infinitive afblazen
past singular blies af
past participle afgeblazen
infinitive afblazen
gerund afblazen n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular blaas af blies af afblaas afblies
2nd person sing. (jij) blaast af blies af afblaast afblies
2nd person sing. (u) blaast af blies af afblaast afblies
2nd person sing. (gij) blaast af bliest af afblaast afbliest
3rd person singular blaast af blies af afblaast afblies
plural blazen af bliezen af afblazen afbliezen
subjunctive sing.1 blaze af blieze af afblaze afblieze
subjunctive plur.1 blazen af bliezen af afblazen afbliezen
imperative sing. blaas af
imperative plur.1 blaast af
participles afblazend afgeblazen
1) Archaic.

Anagrams[edit]