afstrijken

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

af +‎ strijken

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

afstrijken ‎(past singular streek af, past participle afgestreken)

  1. to strike a match, as in to attempt to ignite it
    Een veiligheidslucifer, in tegensteling tot strijklucifer kun je niet redelijk aan alles afstrijken.
    A safety match, as opposed to a strike-anywhere match, can't be easily struck on any surface.
  2. to rub out
    Strijk het overvloed kit af met terpentine.
    Rub out excessive sealant with turpentine.

Conjugation[edit]

Inflection of afstrijken (strong class 1, separable)
infinitive afstrijken
past singular streek af
past participle afgestreken
infinitive afstrijken
gerund afstrijken n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular strijk af streek af afstrijk afstreek
2nd person sing. (jij) strijkt af streek af afstrijkt afstreek
2nd person sing. (u) strijkt af streek af afstrijkt afstreek
2nd person sing. (gij) strijkt af streekt af afstrijkt afstreekt
3rd person singular strijkt af streek af afstrijkt afstreek
plural strijken af streeken af afstrijken afstreeken
subjunctive sing.1 strijke af streeke af afstrijke afstreeke
subjunctive plur.1 strijken af streeken af afstrijken afstreeken
imperative sing. strijk af
imperative plur.1 strijkt af
participles afstrijkend afgestreken
1) Archaic.