beheersen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

be- +‎ heersen

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): [bə.ˈɦɪːr.sə(n)]
(file)
  • Hyphenation: be‧heer‧sen

Verb[edit]

beheersen (past singular beheerste, past participle beheerst)

  1. to control, master

Conjugation[edit]

Inflection of beheersen (weak, prefixed)
infinitive beheersen
past singular beheerste
past participle beheerst
infinitive beheersen
gerund beheersen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beheers beheerste
2nd person sing. (jij) beheerst beheerste
2nd person sing. (u) beheerst beheerste
2nd person sing. (gij) beheerst beheerste
3rd person singular beheerst beheerste
plural beheersen beheersten
subjunctive sing.1 beheerse beheerste
subjunctive plur.1 beheersen beheersten
imperative sing. beheers
imperative plur.1 beheerst
participles beheersend beheerst
1) Archaic.

Related terms[edit]