beschamen

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to navigation Jump to search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch beschamen. Equivalent to be- +‎ schamen.

Pronunciation[edit]

  • IPA(key): /bəˈsxaː.mə(n)/
  • (file)
  • Hyphenation: be‧scha‧men
  • Rhymes: -aːmən

Verb[edit]

beschamen

  1. (transitive) to embarrass, to cause shame
  2. (transitive) to disgrace, to dishonour

Inflection[edit]

Inflection of beschamen (weak, prefixed)
infinitive beschamen
past singular beschaamde
past participle beschaamd
infinitive beschamen
gerund beschamen n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beschaam beschaamde
2nd person sing. (jij) beschaamt beschaamde
2nd person sing. (u) beschaamt beschaamde
2nd person sing. (gij) beschaamt beschaamde
3rd person singular beschaamt beschaamde
plural beschamen beschaamden
subjunctive sing.1 beschame beschaamde
subjunctive plur.1 beschamen beschaamden
imperative sing. beschaam
imperative plur.1 beschaamt
participles beschamend beschaamd
1) Archaic.

Derived terms[edit]