beweren

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

From Middle Dutch beweren, bewaren ‎(to prove). Cognate to German bewähren. The Dutch word beweren has two sources: the adjective waar ‎(true) and the verb weren ‎(to uphold).[1]

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

beweren ‎(past singular beweerde, past participle beweerd)

  1. to claim

Conjugation[edit]

Inflection of beweren (weak, prefixed)
infinitive beweren
past singular beweerde
past participle beweerd
infinitive beweren
gerund beweren n
verbal noun
present tense past tense
1st person singular beweer beweerde
2nd person sing. (jij) beweert beweerde
2nd person sing. (u) beweert beweerde
2nd person sing. (gij) beweert beweerde
3rd person singular beweert beweerde
plural beweren beweerden
subjunctive sing.1 bewere beweerde
subjunctive plur.1 beweren beweerden
imperative sing. beweer
imperative plur.1 beweert
participles bewerend beweerd
1) Archaic.

Derived terms[edit]

References[edit]

  1. ^ J. de Vries & F. de Tollenaere, "Etymologisch Woordenboek", Uitgeverij Het Spectrum, Utrecht, 1986 (14de druk)