bezighouden

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

bezig +‎ houden

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

bezighouden ‎(past singular hield bezig, past participle beziggehouden)

  1. (transitive) to keep busy, to occupy
  2. (reflexive) to occupy oneself, to be productive

Conjugation[edit]

Inflection of bezighouden (strong class 7, slightly irregular, separable)
infinitive bezighouden
past singular hield bezig
past participle beziggehouden
infinitive bezighouden
gerund bezighouden n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular hou bezig, houd bezig hield bezig bezighou, bezighoud bezighield
2nd person sing. (jij) houdt bezig hield bezig bezighoudt bezighield
2nd person sing. (u) houdt bezig hield bezig bezighoudt bezighield
2nd person sing. (gij) houdt bezig hieldt bezig bezighoudt bezighieldt
3rd person singular houdt bezig hield bezig bezighoudt bezighield
plural houden bezig hielden bezig bezighouden bezighielden
subjunctive sing.1 houde bezig hielde bezig bezighoude bezighielde
subjunctive plur.1 houden bezig hielden bezig bezighouden bezighielden
imperative sing. hou bezig, houd bezig
imperative plur.1 houdt bezig
participles bezighoudend beziggehouden
1) Archaic.

Anagrams[edit]