binnengaan

Definition from Wiktionary, the free dictionary
Jump to: navigation, search

Dutch[edit]

Etymology[edit]

binnen ‎(inside) +‎ gaan ‎(walk, go)

Pronunciation[edit]

Verb[edit]

binnengaan ‎(past singular ging binnen, past participle binnengegaan)

  1. (transitive) to enter, go into (a room, etc.)
  2. (intransitive) to go inside

Conjugation[edit]

Inflection of binnengaan (strong class 7, irregular, separable)
infinitive binnengaan
past singular ging binnen
past participle binnengegaan
infinitive binnengaan
gerund binnengaan n
verbal noun
main clause subordinate clause
present tense past tense present tense past tense
1st person singular ga binnen ging binnen binnenga binnenging
2nd person sing. (jij) gaat binnen ging binnen binnengaat binnenging
2nd person sing. (u) gaat binnen ging binnen binnengaat binnenging
2nd person sing. (gij) gaat binnen gingt binnen binnengaat binnengingt
3rd person singular gaat binnen ging binnen binnengaat binnenging
plural gaan binnen gingen binnen binnengaan binnengingen
subjunctive sing.1 ga binnen ginge binnen binnenga binnenginge
subjunctive plur.1 gaan binnen gingen binnen binnengaan binnengingen
imperative sing. ga binnen
imperative plur.1 gaat binnen
participles binnengaand binnengegaan
1) Archaic.

Synonyms[edit]

Antonyms[edit]

Related terms[edit]

Anagrams[edit]